De wereldwijde markten bewegen in een gespannen omgeving. Tegelijkertijd met de oorlog in Oekraïne is er een escalerend conflict tussen de Verenigde Staten en Iran, dat op 28 februari losbarstte, en dat logistieke en energie-gerelateerde verstoorders op gang houdt.
Ondanks deze onzekerheden boeken indexen als de Nasdaq, S&P 500, Nikkei en de Koreaanse KOSPI herstelgolven en nieuwe records; ook de cryptomarkt noteert een opleving met Bitcoin richting de 80.000 USDT. Deze schijnbare risicobereidheid maskeert echter een dieper liggend probleem rondom de financiering van overheden en de prijs van geld.
Het structurele vraagstuk is de kostprijs van financiering in de Verenigde Staten. De Amerikaanse federale schuld bedraagt ongeveer 38,51 biljoen USD, met een kwartaalstijging van 876 miljard (+2,33%).
De uitstaande verplichtingen nemen ruwweg 1.000 miljard toe per 100 dagen en volgens marktverwachtingen zullen de emissies van het Amerikaanse ministerie van Financiën in 2026 doorsnee naar ongeveer 1.000 miljard per maand bewegen, tussen herfinancieringen en nieuw tekort. Intrestbetalingen nemen inmiddels ongeveer 18% van de federale inkomsten in beslag, een druk die in veel andere grote economieën lager is (in Italië bijvoorbeeld rond 9–10%). Deze cijfers vormen het decor voor een complexe monetaire en fiscale dialoog.
Indice dei contenuti:
Inflatie, energie en de rentecurve
De inflatie in de VS laat hernieuwde tekenen van versnelling zien: het CPI voor maart wordt gerapporteerd op 3,3% jaar-op-jaar, tegen 2,4% in februari, met een maandelijkse stijging van 0,9% — de grootste toe-name sinds juni 2026. De opdrijvende kracht is grotendeels energiekosten; benzineprijzen stegen bijvoorbeeld met 21,2% maand-op-maand, een uitschieter die sinds 1967 niet is gezien. Tegelijkertijd blijft de core CPI (exclusief energie en voedsel) relatief gematigd op 2,6%, wat de Federal Reserve enige beleidsruimte zou kunnen geven. Parallel daaraan verandert de rente-structuur: de tweejaarsrente noteert rond 3,785% (dalend), de tienjaarsrente rond 4,306% (stabiel), waardoor het spread 10Y-2Y naar ongeveer +52 basispunten opschiet. Dit patroon wordt in de markt aangeduid als bull steepening, waarbij korte looptijden snel in rendement dalen terwijl lange looptijden hun premie handhaven.
Wat signaleren de rentes?
Het recente bull steepening weerspiegelt dat beleggers rekening houden met toekomstige Fed-kortingen op korte termijn, terwijl ze nog steeds een hoge premie vragen voor langere duraties vanwege inflatie- en schuldzorgen. Historisch ging een vergelijkbare beweging vooraf aan recessies rond 2000–2001 en 2007–2008; gemiddeld ligt de periode tussen het einde van een inversie en de daadwerkelijke recessie op 4–12 maanden. Op dit moment werd de laatste negatieve curvelezing in september 2026 gerapporteerd, wat de waakzaamheid verhoogt gezien de historische precedenten. Tegelijkertijd doet het begrip fiscal dominance de ronde: als de inflatie aanhoudt, wordt de centrale bank beperkt in haar handelingsvrijheid; als de centrale bank rente verlaagt, kan dat fiscale spanning en inflatiedruk juist versterken.
Fiscal dominance en internationale spiegels
De spanning tussen fiscaliteit en monetair beleid toont zich ook buiten de VS. De dertigjarige Treasury noteert rond 4,91%, een graadmeter voor de duur van de schulddruk. Vergelijkbare kwesties spelen bij de Bank of Japan, waar de core-inflatie rond 2,4% staat en staatsschulden in de buurt van 250% van het bbp liggen. Een ingrijpende renteverhoging door de BoJ zou carry trades en valuta-posities (yen) kunnen verstoren met spillovers naar wereldwijde markten. In zo’n klimaat vergroten stijgende energieprijzen en geopolitieke onzekerheid de kans op volatiliteit, waardoor beleidsmakers voorzichtig moeten navigeren tussen prijsstabiliteit en financiële stabiliteit.
Effect op risicomarkten
Macrodata in Europa versterken het voorbehoud: de flash composite PMI voor de eurozone dook naar 48,6 (van 50,7), Duitsland viel in contractie met 48,3 en de daling werd aangedreven door diensten. Markten reageren erop; de VIX stijgt richting 19,75 en het sentiment blijft sterk gelinkt aan olieprijzen. Valutamarkten tonen deze spanningen: de dollarindex noteert rond 98,78, de euro rond $1,1638 en de yen blijft zwak rond ¥159,45 per dollar. Deze indicatoren geven aan dat beleggers zowel beleggings- als valuta-hedgingstrategieën heroverwegen terwijl geopolitieke vooruitzichten ongewis blijven.
Wat betekent dit voor bitcoin?
Voor Bitcoin begint een ongekend macro-economisch experiment. Bitcoin heeft nog nooit een periode van bull steepening gevolgd door een recessie meegemaakt in haar bestaan; eerdere grote dalingen, zoals in 2018 of het outlierjaar 2026, werden veroorzaakt door andere schokken. De correctie van het piekniveau van 126.272 USDT naar zo’n 77.000 USDT sluit aan bij eerdere cycli waarbij assets diep doorcorrecteerden vóór herstel, maar de context is nu anders door de aanwezigheid van ETF spot, institutionele kopers als MicroStrategy en bredere regelgevende erkenning. De cruciale vraag voor de komende 6–12 maanden is of Bitcoin zich uitwerpt als een reële bescherming tegen fiscal dominance en monetaire erosie, of dat het in stressperiodes blijft functioneren als een hefboomachtig, speculatief actief dat scherpe neerwaartse bewegingen kan versterken.
Samenvattend: een mix van geopolitieke schokken, hogere energieprijzen en een snel stijgende federale schuld creëert een complex besluitveld voor centrale banken en beleggers. Voor bitcoin en andere risicodragers betekent dit dat zowel opdrachtsignalen vanuit de rente- en inflatiecurve als microstructurele verandering (ETF’s, corporates) nauwlettend gevolgd moeten worden. Marktdeelnemers doen er goed aan scenario’s voor te bereiden waarbij inflatie, schuld en geopolitiek elkaar versterken — en grotere volatiliteit voor risicovolle activa, inclusief Bitcoin, veroorzaken.