De recente ingreep in het Italiaanse fiscale decreet, vastgesteld op 27 marzo en nader toegelicht in de technische nota van 31 marzo 2026, heeft voor aanzienlijke onrust gezorgd binnen het bedrijfsleven. Van de 7.417 ingediende dossiers gaat het om aanvragen voor een totaal van 1,65 miliardi euro aan credito d’imposta, maar door de nieuwe rekensystematiek en de ingekrompen dotatie wordt het bedrag waar bedrijven daadwerkelijk recht op hebben sterk afgeschaald.
De maatregel beperkt bovendien de aftrekbaarheid tot specifieke categorieën van investeringen, met directe gevolgen voor energiegerelateerde uitgaven.
In de praktische uitwerking betekent dit dat het beschikbare plafond werd teruggebracht van de oorspronkelijk in de wet voorgestelde 1,3 miliardi euro naar slechts 537 milioni. Dat vertaalt zich in een effectieve toekenning die gemiddeld niet meer is dan 35% van het aanvankelijk gevraagde krediet. Voor veel ondernemingen, die hun aankoopbeslissingen hadden genomen in afwachting van een volledige tegemoetkoming, levert die situatie acute liquiditeitsproblemen en een gevoel van vertrouwensbreuk met de overheid op.
Indice dei contenuti:
Wat is precies veranderd en welke posten tellen mee
De herberekening van het voordeel beperkt zich nu tot uitgaven aan beni strumentali en de kosten voor certificering, terwijl investeringen in energiebeheersystemen en installaties uit hernieuwbare bronnen zijn uitgesloten. Daardoor daalt het totaal erkende investeringsbedrag van 1,65 miliardi naar ongeveer 1,53 miliardi. Met de beperkte middelen leidt dat tot een feitelijk verrekeningspercentage van gemiddeld 35% ten opzichte van het aanvankelijke recht.
Die verschuiving raakt vooral projecten met lagere energie-efficiëntiewinst, die uitkomen op een microbonus van slechts 12,25% van de investering.
Verdeling per efficiëntieklasse
De technische analyse verdeelt de aanvragen in drie klassen. In de laagste efficiëntiecategorie zijn 1.623 aanvragen goed voor 274 milioni euro gevraagd krediet; erkend wordt slechts 95,9 milioni, gemiddeld ongeveer 59.000 euro per project, oftewel 12,25% van de investering. De middelste klasse telt 439 aanvragen (gevraagd: 87 milioni), met een toekenning van 30,5 milioni (gemiddeld 69.300 euro, ~14%). De topklasse bevat 5.355 aanvragen voor 1,17 miliardi; daarvoor worden 409 milioni gereserveerd, gemiddeld 76.500 euro (~15,75%). Het globale gemiddelde krediet per project komt neer op ongeveer 72.400 euro.
Veranderingen rond iperammortamento en de ‘made in Europe’-clausule
Parallel aan de budgettaire correcties is er aanpassingen in het instrumentarium zelf. Het nieuwe plan ziet voor de periode 1° gennaio 2026 al 30 settembre 2028 een overgang van het klassieke credito d’imposta naar een vorm van iperammortamento. De controversiële territoriale voorwaarde ‘made in Europe’ — die aankopen beperkte tot producenten uit de EU of de EER — is geschrapt. Deze wijziging vergroot de inkoopvrijheid voor bedrijven maar verhoogt ook de geraamde kost met ongeveer 1,4 miliardi euro over 10 jaar, waardoor de totale geraamde last van het programma oploopt naar circa 9,8 miliardi tot 2035.
Gevolgen voor leveranciers en markttoegang
Het schrappen van de territoriale beperking heeft directe gevolgen voor aanbestedingsstrategieën en leverancierskeuze: Amerikaanse, Japanse, Koreaanse en ook Chinese aanbieders blijven nu beschikbaar voor investments die onder het nieuwe iperammortamento vallen. Het ministerie meldt dat het aangepaste uitvoeringsdecreet snel zal volgen, maar dat jaarlijks extra budgettaire implicaties met zich meebrengt.
Reacties uit het bedrijfsleven en politieke spanningen
Belangrijke industriële organisaties hebben scherp gereageerd. De voorzitter van Confindustria, Emanuele Orsini, vroeg om een spoedoverleg met de ministers Giancarlo Giorgetti, Adolfo Urso en Tommaso Foti, daarbij wijzend op het verlies van vertrouwen door de aankondigingen. Confindustria en brancheverenigingen noemen de maatregel zwaar bevooroordeeld en wijzen erop dat vele ondernemingen — de zogenaamde esodati — investeringen hebben afgerond in de veronderstelling van volledige tegemoetkoming.
Ook AssoEsco sprak van urgente noodzaak tot bijsturing gezien de onzekerheid bij energie‑servicebedrijven. Politiek gezien sluit de episode aan op eerdere knelpunten in de ontwikkeling van Transizione 5.0: van de initiële ontwerpfase in november 2026 tot de operationele start in augustus 2026 en eerdere herverdelingen in de herfst. De opeenvolging van aanpassingen en tegenstellingen tussen ministeries versterkt de onvrede bij ondernemers.
Slotbeschouwing
De combinatie van budgettaire inkrimping, herdefiniëring van bruikbare kosten en wijziging van de instrumenten (van credito d’imposta naar iperammortamento) betekent dat veel bedrijven gekort worden op hun verwachte steun. Voor beleidsmakers staat nu de taak om de ontstane kloof tussen toezeggingen en uitvoering te dichten, zowel om directe liquiditeitsproblemen bij ondernemingen te vermijden als om het vertrouwen in toekomstige investeringsinstrumenten te herstellen.