Voor een directeur-grootaandeelhouder (DGA) bestaat de mogelijkheid om spaargeld en beleggingskapitaal ofwel binnen de eigen besloten vennootschap (BV) te plaatsen, ofwel als particulier in box 3. Deze beslissing heeft directe fiscale consequenties, omdat de twee systemen verschillende tarieven, vrijstellingen en heffingsgrondslagen hanteren.
Belastingregimes en huidige tarieven
Wanneer je via de BV belegt, betaal je vennootschapsbelasting (VPB) over het daadwerkelijk behaalde rendement. In 2026 bedraagt dit tarief 19 % tot een winst van €200.000 en 25,8 % voor het meerdere. Privé-beleggen valt onder box 3. Hier is een heffingsvrij vermogen van €59.357 per persoon (dubbel bij een fiscale partner) van toepassing, waarna een forfaitair rendement van 6 % wordt verondersteld en daartegenover een tarief van 36 % wordt geheven. De overheid overweegt voor 2027 een verlaging van het vrijgestelde deel naar €30.846 en een uiteindelijke overstap in 2028 naar belasting op het reëel behaalde rendement bij verkoop.
Waarom de marginale druk in box 3 hoger kan uitvallen
Hoewel het nominale tarief in box 3 36 % is, kan de effectieve belasting op extra inkomsten uit sparen en beleggen oplopen tot circa 42,4 % doordat algemene heffingskortingen afnemen bij een hoger verzamelinkomen. Sinds 2025 wordt deze korting berekend over het totale inkomen (box 1, box 2 en box 3). Zodra het verzamelinkomen tussen €29.736 en €78.426 ligt, verlies je ongeveer 6,4 % per extra euro, waardoor de marginale druk 36 % + 6,4 % = 42,4 % bereikt. Voor AOW-gerechtigden kan deze druk zelfs 54,2 % bedragen doordat zowel de algemene heffingskorting als de ouderenkorting worden afgebouwd.
Wanneer is beleggen via de BV fiscaal voordeliger?
Over het algemeen geldt: hoe groter het vermogen en hoe hoger het verwachte rendement, hoe aantrekkelijker zakelijk beleggen wordt. In de BV betaal je uitsluitend belasting over het werkelijke resultaat; verliezen kunnen direct tegen de winst worden gezet, waardoor de VPB lager uitvalt. Bovendien beschermt de rechtspersoonlijkheid van de BV je privé-vermogen tegen eventuele beleggingsverliezen. Bij een rendement boven de circa 5 % (afhankelijk van je persoonlijke belastingpositie) kan de gecombineerde belastingdruk van 19-25,8 % lager uitvallen dan de effectieve 42 %-plus die in box 3 kan ontstaan door heffingskortingen.
Praktische overwegingen en komende wetswijzigingen
Voordat je een keuze maakt, is het verstandig om de totale *verzamelinkomen* – inclusief eventuele dividenduitkeringen – te berekenen. Een dividenduitkering aan jezelf leidt tot box 2-heffing (momenteel 31 %, mogelijk verlaagd naar 29,2 % tussen 2027 en 2030). Het voordeel van een lage administratieve last bij privé-beleggen moet worden afgewogen tegen de potentiële belastingbesparing via de BV. Houd rekening met de geplande wijzigingen: vanaf 2028 moet je het werkelijk rendement bij verkoop aangeven (Wet werkelijk rendement box 3), en de vrijstelling wordt mogelijk gehalveerd. Een nauwkeurige simulatie met een fiscaal adviseur of een online rekenhulp kan je helpen het exacte omslagpunt te bepalen.



