Een drie jaar durend onderzoek naar de financiële banden tussen het koningshuis en de Nederlandse koloniale geschiedenis heeft een verrassend getal opgeworpen: bijna 576 miljoen euro aan netto-opbrengsten. Het overgrote deel van dit bedrag, ruim 566 miljoen euro kan direct worden gekoppeld aan bezittingen in het voormalige Nederlands-Indië. Andere inkomsten kwamen uit het octrooigebied van de West-Indische Compagnie in West-Afrika en de Amerika’s, maar de inkomsten uit de trans-Atlantische slavenhandel bleken vrijwel nihil.
De studie wijst erop dat de welvarende periode van de Oranjes niet voortkwam uit de oude VOC- of WIC-handelsnetwerken, maar uit twee 19e-eeuwse ondernemingen die door koning Willem I en zijn kleinzoon prins Hendrik werden opgericht: de Nederlandsche Handel-Maatschappij (NHM) en de Billiton Maatschappij. Deze bedrijven beheersten de exploitatie van rijke grondstoffen – onder meer koffie, suiker, thee en tin – en leverden de grootste cash-flow aan het koninklijk huis.
Willem I: een obsessieve econoom en koloniale architect
Na de grondwetsherziening van 1815 zette Willem I, nu koning, zijn aandacht volledig op het versterken van de positie van het Nederlandse koninkrijk ten opzichte van Groot-Britannië. Hij werd een “ongekende dossiervreter” en bemoeide zich intensief met de economische structuur van de koloniën. In 1823 investeerde hij fors in de NHM en drie jaar later richtte hij de Java-Bank op. Daarmee legde hij de basis voor het cultuurstelsel een systeem dat Indonesische boeren dwong winstgevende exportgewassen te verbouwen ten voordele van de staat en de NHM.
De opbrengsten van het cultuurstelsel waren enorm: van het totale vermogen van Willem I bij zijn dood in 1843 (27,5 miljoen gulden) kwam ongeveer 7,5 miljoen gulden uit koloniale bronnen. Daarnaast steun hij militair ingrijpen, zoals de Java-oorlog (1825-1830), om zowel gezag als economische winsten veilig te stellen. De oorlog eiste circa 200 000 Javanen en 15 000 soldaten.
Financiële opbrengsten van de Oranjes over twee eeuwen
De onderzoekers berekenden dat de stadhouders in totaal 55,9 miljoen euro in directe inkomsten uit de koloniën ontvingen, een bedrag dat volgens hen “in de schoot geworpen” werd zonder dat ze zelf investeerden. In tegenstelling tot de populaire veronderstelling had Willem III bijvoorbeeld geen aandelen in de startende Koninklijke Olie (Shell). De meeste winst was echter geconcentreerd bij Willem I en prins Hendrik, die tussen 1820 en 1910 samen naar schatting 475 miljoen euro verdienden in Nederlands-Indië. De tinproductie op Billiton, die hand in hand ging met grootschalige uitbuiting, vormde een belangrijke bron.
De studies tonen ook dat de Oranjes niet profiteerden van de slavernijhandel in de Caraïben of West-Afrika. Het negatieve effect van Franse confiscaties en het feit dat de koninklijke huishoudens geen eigen plantages bezaten, betekende dat hun betrokkenheid bij de trans-Atlantische slavenhandel beperkt bleef. Toch hielden de stadhouders en koningen zich niet tegen de slavernij op, en de afschaffing in 1863 werd door Willem III als een “geschenk” gepresenteerd, waarbij vrijgemaakte slaven werd opgelegd dankbaarheid te tonen.
Van actief ondernemerschap naar passieve beleggingen
Na 1890 verschoof de strategie van het koningshuis van direct ondernemerschap naar een meer passieve beleggingshouding. De onderzoekers benadrukken dat morele overwegingen rond slavernij of dwangarbeid nauwelijks een rol speelden bij Willem I, Willem II, Willem III en Wilhelmina. Pas onder koningin Juliana kwam een langzaam groeiend gevoel van ongemak over het koloniale verleden tot uiting, wat leidde tot minder openlijke steun voor koloniale projecten.
In 2024 reageerde koning Willem-Alexander op de bevindingen met de woorden dat het onderzoek “onverbloemd en indringend” is en dat het gebrek aan kritische leiderschap in de familie “schrijnend en confronterend” is. Premier Rob Jetten benadrukte dat er geen nieuwe herstelbetalingen zouden komen; het reeds bestaande meerjarenprogramma, gestart in 2023 met een budget van 200 miljoen euro, zou verder worden voortgezet om verzoening te bevorderen.



