Naar inhoud springen
25 september 2026

Minister van Weel verontschuldigt zich voor misleidende toelichting Rekenkamer-rapport

David van Weel excuseert zich na een foutieve interpretatie van het Rekenkamer‑rapport over tienduizend onbehandelde ernstige misdrijven.

Minister van Weel verontschuldigt zich voor misleidende toelichting Rekenkamer-rapport

In de zomer van 2024 publiceerde de Algemene Rekenkamer een omvangrijk onderzoek naar het handelen van politie en justitie rond ernstige misdrijven. Het verslagen stelde dat zo’n 10.000 aangiften en meldingen in dat jaar nauwelijks of niet werden opgevolgd. Een aangifte is een formeel verzoek om vervolging, terwijl een melding een louter kennisgeving is zonder onmiddellijke vervolgingsplicht. De Rekenkamer benadrukte dat deze cijfers een ernstige tekortkoming in de opsporingscapaciteit blootlegden en vroeg om structurele maatregelen.

Het Rekenkamer-rapport en de cijfers

Volgens het rapport ontbrak in een groot deel van de geregistreerde zaken – 10.000 in totaal – een concrete aanknopings­punt voor verder onderzoek. De Rekenkamer schatte dat slechts tien procent van de dossiers werkelijk geen aanwijzingen bevatte; de overige negentig procent werd vooral gekenmerkt door een gebrek aan personele of organisatorische capaciteit. Daarbij kwam naar voren dat slachtoffers van zedenzaken en zware diefstallen vaak jarenlang zonder terugkoppeling bleven, waardoor hun vertrouwen in het rechtssysteem ernstig werd ondermijnd.

Minister Van Weel’s toelichting en de nasleep in de Kamer

Justitieminister David van Weel (VVD) reageerde kort na de publicatie op een parlementaire vraag. Hij stelde dat het merendeel van de 10.000 gevallen bestond uit meldingen zonder enig onderzoekspad, en gebruikte de cijfers om te benadrukken dat ambtenaren niet “aanvragen terzijde gooien”. In de debatten daarna werd Van Weel meerdere keren ondervraagd door Kamerleden, waaronder PRO-Kamerlid Songül Mutluer. Zij vond het “zwaar” omdat het om slachtoffers van ernstige misdrijven ging en vroeg de minister duidelijk toe te geven dat hij de Kamer misleidde. Van Weel antwoordde nadrukkelijk dat hij de Kamer niet had willen misleiden, maar dat zijn “verschil van inzicht” te wijten was aan een onvolledige voorbereiding.

Later diezelfde avond verontschuldigde de minister zich publiekelijk. Hij gaf aan dat zijn oorspronkelijke intentie was om “die mensen in de strafrechtketen te verdedigen die in een éénlaatsje voor de pers stonden”. Hij stelde dat hij zich ervan had gerealiseerd dat de discussie te veel over “methodes en cijfers” ging in plaats van over de onderliggende problematiek. Van Weel erkende dat hij een beter gesprek met de Rekenkamer had moeten zoeken om tot een “geharmoniseerd beeld” te komen.

Reactie van de Algemene Rekenkamer en de vervolgvraag

Rekenkamer-president Pieter Duisenberg beantwoordde de controverse op NPO Radio 1. Hij zei dat het rapport had moeten dienen als een signaal om de “achterkamertjes” te vermijden en dat de minister alsnog “op het verkeerde been” had gezet. Volgens Duisenberg werd er eerder geprobeerd de situatie achter de schermen recht te trekken, maar dit was niet gelukt. Het woord “verkeerde been” wordt in de brief aan het kabinet opnieuw gebruikt: de minister had volgens de Rekenkamer de cijfers verkeerd geïnterpreteerd en daardoor een onvolledig beeld geschetst.

Naast de politieke botsing onderstreept de Rekenkamer het feit dat de “capaciteitstekorten bij de politie” een centrale oorzaak zijn van de achterstand. Zij benadrukt dat het ontbreken van aanknopings­punten in “verreweg de meeste gevallen” niet aan de kwaliteit van het onderzoek ligt, maar aan een structureel tekort aan mankracht en middelen. De impact op slachtoffers wordt door de Rekenkamer als “onaanvaardbaar” bestempeld, omdat hun ernstige zaken geen noemenswaardige aandacht krijgen.

De Kamer blijft nu zoeken naar concrete oplossingen. Terwijl Van Weel aangeeft dat zijn excuses geen invloed hebben op de lopende onderzoeken, dringt de Rekenkamer aan op een verbeterde rapportage-cultuur en een snelle uitbreiding van de politiecapaciteit. Voor de betrokken burgers betekent dit een hoopvolle, maar nog onzeker, weg naar gerechtigheid.