Beleggen in Nederland staat voor een cruciale keuze: investeren via een BV of via box 3? De Europese Commissie heeft plannen om de belasting op dividenden tussen bedrijven af te schaffen, wat de aantrekkelijkheid van een BV kan vergroten. Maar wat zijn de echte voor- en nadelen van beide opties?
Peter Beets en Tjarko Denekamp, experts vermogensplanners bij ABN AMRO MeesPierson, onderzoeken de impact van deze mogelijke veranderingen op het Nederlandse belastingstelsel. Ze wijzen op het schrijnende contrast tussen de huidige en toekomstige regels voor box 3 en de voordelen van een BV.
De impact van Europese plannen op box 3
Een van de belangrijkste veranderingen is dat dividenden in een BV mogelijk onbelast kunnen worden ontvangen. Bovendien worden koerswinsten pas belast bij realisatie. Dit staat in schril contrast met het nieuwe box 3-stelsel, dat vanaf vermogensaanwas belast, zelfs als die nog niet is gerealiseerd.
In box 2 wordt belasting pas geheven bij realisatie, en met een lager tarief (31 procent tegenover 36 procent in box 3) wordt beleggen via een BV aantrekkelijker. Maar er zijn nog veel onzekerheden. De Europese plannen zijn nog niet definitief, en de reactie van de Nederlandse wetgever is onduidelijk. Een verhoging van het box 2-tarief is niet ondenkbaar.
De fiscale druk van beleggen via een BV
Wie belegt via een BV moet rekening houden met de vennootschapsbelasting (vpb). Over winsten tot 200.000 euro bedraagt het tarief 19 procent, daarboven 25,8 procent. Bij het uitkeren van dividend betaalt de belegger daarnaast nog eens belasting in box 2: 24,5 procent tot 68.843 euro en 31 procent over het meerdere.
Alles bij elkaar kan de totale belastingdruk oplopen van circa 38,8 tot 48,8 procent. Het tarief in box 3 is lager: 36 procent. Het belangrijkste voordeel van beleggen in een BV is het uitstel van belastingheffing. In de BV door winst niet te realiseren, in box 2 door dividend uit te stellen. Dit uitstel heeft echter een keerzijde: latere winst en latere uitkeringen vallen mogelijk in hogere tariefschijven.
Rekenvoorbeelden en fiscale veranderingen
Rekenvoorbeelden laten zien dat bij een vermogen van een miljoen euro en een rendement van 10 procent het omslagpunt pas na ongeveer twaalf jaar wordt bereikt voordat de BV fiscaal aantrekkelijker wordt dan box 3. Twaalf jaar is een lange periode in fiscale termen, en de twee vermogensplanners wijzen op de onzekerheid van toekomstige tariefwijzigingen.
“Wat vandaag aantrekkelijk lijkt, kan morgen weer kantelen. De BV is daarmee geen oplossing, maar meer een ander speelveld met eigen risico’s,” aldus Beets en Denekamp. Ze adviseren om niet haast te maken en af te wachten tot de onzekerheden zijn opgelost.
Timing en de tegenbewijsregeling in box 3
Als de keuze uiteindelijk toch in het voordeel van de BV uitvalt, speelt timing een belangrijke rol. Over het resterende deel van 2026 wordt in box 3 geen belasting meer geheven. In de BV start het fiscale tijdvak op de dag van inbreng en loopt tot en met 31. Dit kan ertoe leiden dat in één kalenderjaar zowel box 3-heffing als vpb verschuldigd is.
Bovendien bestaat in box 3 naast het forfaitair rendement nog steeds de tegenbewijsregeling. Bij lagere rendementen wordt slechts tot circa 6 procent belast. Bij een rendement van 10 procent en een vermogen van een miljoen euro houdt de belegger in box 3 momenteel zelfs meer over dan in de BV. Ook in is box 3 daarom zo gek nog niet.
“Het is wel zo dat in box 3 bij afrekening over het lagere rendement, kosten niet in aftrek mogen worden gebracht en verliezen niet mogen worden verrekend met winsten uit andere jaren,” tekenen de vermogensplanners aan. Ze benadrukken de noodzaak om goed af te wegen welke optie het beste past bij je persoonlijke situatie.
